Biomechanica: Verbeter de balans van het paard

Biomechanica_verbeteren balans van het paard_Hilary ClaytonDierenarts en biomechanica onderzoekster Hilary Clayton, BVMS, PhD, DACVSMR, MRCVS, heeft vele studies uitgevoerd om inzicht te krijgen in de beweging van het lichaam en de balans van het paard tijdens de opleiding van het paard naar verzameling.
Zeventien jaar lang verzamelde ze data over ganganalyse van dressuurpaarden in het paardenlaboratorium in het McPhail Center, Michigan State University.

Ze constateerde hoeveel gewicht elk van de vier benen van een paard draagt, hoeveel voortstuwing elk van de paardenbenen voor zijn rekening neemt, wat de betekenis is van de borst en romp van een paard en hoe cruciaal het is voor een ruiter om goed geïnformeerd te zijn en inzicht te hebben in het musculaire draagsysteem van de borst om een paard te helpen correct in balans te kunnen bewegen (in het Engels gebruikt men voor dit musculaire draagsysteem meestal de term “thoracic sling”).

Biomechanica_verbeteren balans van het paard_1   Biomechanica_verbeteren balans van het paard_2

In tegenstelling tot de schoudergordel van de mens, waar de sleutelbeenderen (os clavicula) de armen verbinden met het lichaam, heeft een paard geen benige verbinding tussen de voorbenen en de romp. In plaats daarvan verbinden sterke spieren en ligamenten de binnenkant van de schouderbladen met de ribbenkast, die functioneren als draagbanden om de borst tussen de twee voorbenen van het paard op te hangen. Deze ‘draag-spieren’ bestaan ​​voornamelijk uit de m. serratus ventralis thoracis (grote romp spier) geassisteerd door m. pectoralis (borstspieren).

Contractie van deze schoudergordelspieren liften de romp en schoft tussen de schouderbladen, waardoor de schoft op dezelfde hoogte als of hoger wordt gebracht dan de croupe. Wanneer een paard beweegt zonder juiste contractie van de schoudergordelspieren, dan is de beweging van het paard bergafwaarts en dus op de voorhand.

De paarden in de studies van Dr. Clayton werden gereden in een voorwaarts-neerwaartse houding, een verzamelde en een bergafwaartse houding om de verschillende mate van voortstuwing van elk been te bepalen. Tijdens de vele sessies om data te verzamelen werden markeringen gebruikt om bewegingen van de romp, hals en bekken te meten, evenals van alle benen van het paard. Het gemiddelde paard draagt ​​58 procent (3/5de deel) van zijn gewicht op zijn voorbenen en 42 procent (2/5de) op zijn achterbenen.
Ze ontdekte dat het paard moet leren om in een bergopwaartse balans te bewegen door met zijn voorbenen omhoog te duwen. De achterbenen kunnen dan functioneren zoals ze zouden moeten door meer te buigen in de gewrichten, waardoor het paard als het ware iets gaat zitten en meer gewicht kan dragen en krachtiger kan afzetten. In wezen moet de zware borst omhoog en zo uit de weg worden getild zodat de achterbenen naar voren kunnen worden geplaatst, kunnen dragen en afzetten.

Zelfhouding en balans van het paard

De schoudergordelspieren zijn uiterst belangrijk voor de zelfhouding van het dressuurpaard. Het doel van dressuurtraining is om het paard zijn serratus ventralis en pectoralis spieren correct te leren gebruiken om in balans te kunnen beweging. Na verloop van tijd worden deze spieren sterker en kan het paard zijn achterbenen verder onder het zwaartepunt van zijn lichaam zetten om met meer impuls en bergopwaarts te bewegen.

De kracht van de schoudergordelspieren neemt toe wanneer de ruiter tijdens de training de schouders voortdurend in verticaal evenwicht houdt en ook middels tempo wisselingen het horizontale evenwicht vergroot. Hierdoor zal het paard meer bergopwaarts gaan bewegen, kunnen de spieren sterker en elastischer worden en zal de zelfhouding van het paard verbeteren.

Ruiters hebben de neiging om te denken dat scheefheid vanuit de rug en achterbenen van het paard ontstaat. Maar, de m. serratus ventralis thoracis van het paard en de schouderbladen spelen ook een grote rol bij het scheef gaan. Aangezien een paard aan de ene kant sterker is dan aan de andere kant, kan het gemakkelijk over één schouder naar buiten of naar binnen vallen op een volte afhankelijk van de richting en afhankelijk van zijn sterkere of zwakkere kant.

“De m. serratus ventralis,” legt Clayton uit, “waaiert van het schouderblad uit over de ribben en over de wervels aan de basis van de hals. Wanneer ze samentrekken, heffen ze de schoft zodat deze omhoog komt tussen de schouderbladen en verhogen zo ook de basis van de hals.”

“Bij een jong paard is de kracht van de schoudergordelspieren vaak asymmetrisch aan de linker- en rechterkant en dat speelt een belangrijke rol in de scheefheid van het paard. Ruiters moeten zich daarom concentreren om het paard te leren deze spieren te gebruiken en te ontwikkelen aan zijn zwakkere kant om ze zodoende symmetrischer te maken voor een goede balans en zelfhouding. Na verloop van tijd zal het paard zijn verticale evenwicht verbeteren en niet meer in de bochten naar binnen of buiten vallen.”

Ze ontdekte ook dat de borstspieren van het paard groter en sterker worden als de borst in balans wordt gehouden tijdens het rijden van kleinere voltes, correcte bochten en het zijwaarts gaan (lateraal werk). Deze spieren zijn belangrijk om de voorbenen in een verticale positie te houden tijdens hun draagfase en voor het zijwaarts bewegen van de voorbenen tijdens de zwaaifase.

De schouders en de romp van een paard zijn zwaar; daarom is het belangrijk dat een ruiter bij het trainen en werken aan verzameling leert hoe de borst en de romp in evenwicht te brengen en te houden, zodat de achterbenen onder het lichaam kunnen worden gebracht om te kunnen dragen en afzetten. Clayton benadrukt: “Het is de balans van de romp die het mogelijk maakt om de impuls van de achterbenen door het lichaam van het paard te laten vloeien zonder dat het paard op de voorhand geduwd wordt.”

Houding van zowel ruiter als paard

Er is een duidelijke correlatie tussen de houding van de ruiter en de houding van het paard wanneer ze samen trainen. Als de rompspieren van de ruiter niet actief zijn, worden de rompspieren van het paard ook niet geactiveerd. Hoewel het paard een duidelijk voordeel heeft in het hebben van vier benen, moet een ruiter werken aan zijn of haar eigen zelfhouding zodat het paard in staat wordt gesteld zijn rompspieren aan te spannen, wat noodzakelijk is om een bergopwaartse houding aan te nemen.

De zelfhouding en de balans van het paard wordt bereikt door gecontroleerde spanning in de spiergroepen. Er is een cirkel van spieren die het paard – in de lengte richting – omwikkelt via zijn rug- en buikspieren, waardoor deze de ronding van de rug vorm kunnen geven en behouden. De buikspieren omsluiten de buik vanaf het bekken naar de ribbenkast en naar het borstbeen. Door de aanspanning van deze spieren en de ontspanning van de rugspieren kan het paard zijn benen soepel en los bewegen om al zijn gewicht te dragen en voort te stuwen.

Gelijke stuwkracht

De meeste ruiters denken dat alleen de achterbenen ontwikkeld moeten worden voor een goede impuls en balans van het paard. Preciezer gezegd, de afzet van de achterbenen moet worden ondersteund door de opwaartse druk van de voorbenen. De kracht van de afzet van de achterbenen kan optimaal worden benut door het bergopwaarts gaan van de voorhand, zodat het paard gecontroleerd kan presteren in een opwaartse balans.

Bovenstaande is gebaseerd op het artikel “The Significance of a Horse’s Chest Sling Muscles Biomechanic Research by Hilary Clayton” geschreven door Betsy LaBelle en gepubliceerd op “Dressageheadlines.com”.

Meer informatie over verticaal evenwicht, horizontaal evenwicht en balans van het paard

Er zijn meerdere interessante artikelen en boeken geschreven over de natuurlijke scheefheid van paarden en de manier om hier aandacht aan te besteden tijdens de training. Met het doel om het paard symmetrischer te maken in zijn lichaam en zodoende lang gezond te houden.

De natuurlijke scheefheid van paarden is een uitdagend onderwerp. Eén en hetzelfde beeld wordt door verschillende schrijvers – vaak met jarenlange ervaring en doctor titels – verschillend geïnterpreteerd. Waarna natuurlijk ook de aanpak om de scheefheid te verminderen verschillend is. Van iedereen is iets te leren en uiteindelijk gaat het erom dat je voor jezelf en je eigen paard de juiste (mix van) methode(s) inzet.
Het maakt het lastig, maar tegelijkertijd intrigerend en het laat maar weer eens zien dat de wetenschap niet zwart-wit is.
Een (hele) kleine greep uit boeken en artikelen over de natuurlijke scheefheid van het paard en hoe hiermee om te gaan: